Smaakmaker van weleer
Komijn is een ‘oudje’ en dat besef je goed als je weet dat de naam afgeleid is van een dode taal, het Akkadisch (anno 2800-100); een voorloper van het Aramees. De zaadjes zijn ook gevonden in grafruimten van de piramiden. De schermbloemige plant groeit alleen in gebieden waar het lekker warm is en daarom hoort het allereerst echt thuis in de keukens van het Midden-Oosten en Afrika.
De oude Grieken en Romeinen gebruikten komijn als middel om gerechten aan tafel lekkerder te maken naast zout. Op sommige plekken is een mengsel van zout met komijn nog steeds een gangbare smaakmaker. Komijn werd eerst verbouwd in Turkije, Egypte, Iran en bijvoorbeeld India en via handelsroutes belandde het in tal van specerijen melanges zoals baharat, raz-el-hanout en neem het Indiase garam masala.
